Zeeburgerdijk-Oost

Winterfeest 2003

Zo kan het ook gegaan zijn
door Frans Thuijs

 

‘Joop, loop toch eindelijk eens door’, riep zij, zonder om te kijken; ‘Jezus Christus wat is die kerel toch langzaam. Ja, sorry hoor, zoon ‘, zei zij, ondertussen haar gespannen buik liefkozend. ‘Op deze manier komen we nergens en het is al laat’.
Youssouf, hetzelfde voor Joop nietwaar, gaf geen antwoord. Hij vroeg zich af wat hij hier ins hemelsnaam deed met dat vreemde mens. Bovendien, ook al was zij hoogzwanger, wat bovendien haar eigen zaak was, zij hoorde helemaal niet op die ezel te zitten. Sinds mensenheugenis hoorde de vrouw achter de man aan te lopen en niet andersom. Met dit tiep werd het plotseling allemaal anders en als het zo door zou gaan met alle die nieuwigheden, dan zou daarmee het hele Romeinse Rijk wel in de versukkeling raken. Hoe zeer hij daarmee gelijk zou krijgen wist hij nog niet, maar driehonderd jaar later was dat wel het geval zoals Edward Gibon tegen het einde van de 18e eeuw schreef in The Decline and Fall of the Roman Empire (prachtig boek trouwens en een van de weinige klassieken te lezen als E-boek, maar dat terzijde).
Dat hij nu helemaal naar Beit Lechem moest, was nog tot daar aan toe, maar er was geen enkele reden, dat zij mee ging. De een of andere potentaat had bepaald, dat iedere man zijn naam moest laten opschrijven in de plaats van zijn ‘vaderen’ voor de een of andere volkstelling, waar natuurlijk later nooit meer iets van terug zou kunnen worden gevonden. ook daarin zou hij gelijk krijgen. Het sneed geen hout dat zij, grof zwanger, er op had gestaan, daar te bevallen. Ja hij was uit het huis van David. Maar dat kind, dat zij droeg, was niet van hem en hoe kon die dus van het huis van David zijn, zoals zij beweerde. Boers had hij niet en ook desnoods een verre neef, daar was hem niets van bekend. Als hij het niet was en hij was, zoals Hector Malot later schreef, ‘Sans Famille’, waar kwam dat kind dan vandaan?
Hij begreep achteraf ook niet, dat hij zich zo had kunnen laten beetnemen, nu een maand of negen geleden. Hij was daar aan het timmeren dat het een lust had, stond daar plotseling een kerel met vleugels in zijn werkplaats. Potsierlijk, want Icarus had het al eerder geprobeerd en die was ook weer naar beneden gemieterd; hoe had hij dus zo stom kunnen zijn om die vreemde vogel te geloven, dat hij een heuse timmerfabriek zou krijgen in ruil voor een soort Foster Parents Plan. En hij had nog geen ja gezegd, of daar stond ook al een jonge meid op de stoep. Dat was nog gevaarlijk ook, want zij hadden niet onder de Choepa gestaan en zij was zwanger; nog een wonder dat de buren helemaal niets gemerkt hadden, want ze stonden hier zo klaar met een paar stenen en nog ver vóór de Sharia waren ze hier ook best bereid om iemand voor overspel dood te gooien. Zij ging dus door voor zijn vrouw, maar dat had helemaal niets te betekenen; hij had verder niets met haar en van een trouwerij zou het wel niet komen. Ook dat was weer profetisch.
Al mijmerend had Joost niet in de gaten dat in het pikkedonker, het ezeltje met de hoogzwangere vrouw midden op de dijk plotseling stilstond. Hij liep tegen het dier op en viel achterover. ‘Godverdomme, kan niet even waarschuwen?’.
‘Josefje, vloek toch niet zo. Telkens als jij een krachtterm gebruikt begint dat kind mij te schoppen en ik gebruik die taal niet, dat past niet voor hoogzwangere heilige maagd. Maar, goed, ik stop, omdat ik daar een herberg zie’.
‘Hoe kan je ins hemelsnaam een herberg zien in het pikkedonker’.
‘Als je zonder procreëren toch een kindje kan maken, dan is in donker kijken een wondertje van niks, dus ga jij maar even vragen of men plek heeft’.
Josephus was zo goed niet of hij strompelde in de aangewezen richting en belde aan. Maar goed dat de bel verplicht was, anders had hij het in donker nooit gevonden. Hij had zijn vinger nog niet van de bel af, of een morsige, nogal narrige man rukte de deur open.
‘Wat moet dat’, riep de man, midden in de nacht in dit gure weer aan te bellen, terwijl ieder fatsoenlijk mens nu aan het diner of onder de kerstbom zit’.
‘Ho, ho’, zei Sjef, ‘dat kan niet, want het moet nog kerstmis worden en daarvoor moet zij eerst nog bevallen’ en hij wees achter zich, waar zij met de ezel stilletjes naderbij was gekomen. ‘Bovendien’, ging onze timmerman verder, hangt het er ook nog vanaf of je in de Romeinse tijdstelling leeft, want dan zitten we nu in de tiende maand, of de Juliaanse, dan is het Januari of de Gregoriaanse, dán is het december.’
De man van de herberg, was niet gediend van des schrijnwerkers wijsheden. ‘Hoe dan ook’, riep hij, ‘je komt er hier niet in, deze herberg is gekraakt en het is hier geen kraamkliniek. Jullie zitten bovendien helemaal in de verkeerde tijd, want in de barakken hierachter, die nu ook gekraakt zijn, daar was eertijds een kraamkliniek, nadat ze de besmettelijke zieken eruit hadden gegooid die op hun beurt de vluchtelingen hadden weggejaagd. Vluchtelingen zitten nu aan de andere kant, over de brug en daar maakt zo’n vreemd stel als jullie meer kans.’
‘Hoezo, vreemd stel’. Wilde zij nog weten.
‘Nou meid, hoe oud ben je eigelijk, hooguit 14 zou ik zeggen en grof zwanger op weg met je vader, midden in de nacht, waarheen? Waar is de vader van dat kind? Want je gaat me toch niet vertellen, dat deze grijsaard de vader is? Dan wordt het helemaal een onsmakelijke bedoening. Volgens mij nog strafbaar ook? Of heb je die man erin ge-luisd om onder de pannen te komen?’
‘Min of meer’, moest zij toegeven, ‘maar hij wordt er niet slech-ter van’.
De pseudo-herbergier kon het niet meer volgen, maar ja, velen na hem, zouden het sindsdien ook een duister verhaal blijven vinden.
Hij en zij toch maar weer op weg en het was koud, bitter koud. Daar sta je van te kijken, maar heus, het kan ongelooflijk koud zijn op de hoogvlakte van Judea. Er is ook geen enkele beschutting en geen of nauwelijks begroeiing.
Weer stond zij plotseling stil midden op de weg, maar hij was er op beducht en bleef op de been.
‘Wat nu weer?’
‘Ik hoor tellen’, zei zij. ‘Hoor maar, één, twee, veel, één, twee, veel. We moeten opschieten, het zijn herders die hun schapen tellen, daarna gaan zij liggen en de wacht houden en dan komt er een stem uit de hoogte, of zoiets, maar voordat het zover is moeten wij wel ergens onderdak hebben, want anders gaat ons verhaal de mist in.’
Het werd Joe wat te veel. ‘Over welk verhaal heb je het. Je heb me al genoeg sprookjes verteld. Er zijn hier bovendien geen herders, en nog veel minder schapen, hoogstens geiten en daarom is het hier ook zo kaal. Waar een geit is geweest, blijft woestijn achter. Herders horen hier trouwens nu niet te zijn. Het is te koud om bij nacht - en ontij - in het veld te liggen tellen en te wachten, tenzij die kerels dronken zijn en het niet erg vinden om dood te vriezen’.
‘Je zal wel gelijk hebben, zei zij weer, maar ik zie wél een ster; de ster van Beit Lechem.’
Youri zette zijn bril op. Gelijk had hij. Hij was wat kippig en had geen zin om te wachten totdat Spinoza glazen voor hem zou slijpen. Bovendien was hij moe. Ze waren al dágen onderweg en hadden iedere dag geslapen in kleine keurige gelegenheden, Bed & Breakfast hadden ze gemeden; £ 14 tot £ 18 per persoon, dat waren geen fatsoenlijke prijzen meer, bovendien zoals de gastvrijheid betaamde hadden ze ook bij particulieren onderdak gevonden. Nu, op de laatste dag voordat ze in Beit Lechem zouden aankomen, was geen enkele plek meer goed voor mevrouw. De tijd drong, dat wist hij ook wel, en daarom was het dwaas om iedere gelegenheid waar ze voorbij waren gekomen af te wijzen. Bovendien wist hij van te voren, dat hier sprake zou zijn geschiedvervalsing. Niet hen werd de deur gewezen, de mensen wilden hun graag helpen, maar neen, zij wees iedere gelegenheid hooghartig af. Alsof ze bij voorbaat al wilde bewerkstelligen dat iedereen eeuwen daarna nog zou roepen, ‘ach wat zielig, nergens was zij welkom’.
Het was doorgestoken kaart, want niet dan nadat zij die ster gezien had, die kon je trouwens iedere nacht zien bij helder weer, of zij gaf haar ezeltje de sporen en hij derachteraan. Edoch ezeltjes zijn geen hardlopertjes en zeker niet voor lang, maar zij weten wel waar het behaaglijk is. Dus ook al zou zij het dier niet hebben mishandeld, het zou ongetwijfeld zelf wel naar het optrekje zijn gehold.
‘Verrek’, hoorde Joep, ‘dat lijkt ons stalletje wel’.
Naderbij gekomen, schrok hij zich wild. ‘Hoezo, ons stalletje, ik kom uit een nette familie. Ik heb niets te zoeken in zo’n belachelijk Tiroler ding met stro op het dak, midden in de rimboe. Jij moet vandaag of morgen bevallen, of je kan ook niet tellen, net zoals die kerels daar in de heuvels. Ik kan hier trouwens ook de thuiszorg niet bereiken’.
‘Hè Jos, doe nou niet zo flauw, die huizen bouwden ze al lang voordat die Oostenrijkers anti-semiet werden, zij waren trouwens ook niet de enigen en laat je kerstavond nu niet door zo’n kleinigheid bederven. ‘Dat was waar’, moest Sep toegeven, maar het zat hem toch niet lekker en dat werd er niet beter op toen hij al die verrukte kreetjes uit het benauwde hok hoorde.
Kijk toch eens, er staat een os en een ezel, er zijn heuse schaapjes, een paar echte herders, er zijn bergen stro en warempel er staat ook een kribbe, er brand een lampje in de hoek en kaarsjes bij de deur; het is precies zoals ik het me had voorgesteld’.
José stond met de mond vol tanden. Dat kon nog, want het sui-kergoed werd pas in de 16e eeuw uitgevonden en toen pas gingen de gebitten op jeugdige leeftijd ten gronde. Met nauwelijks ingehouden woede - zo’n sul als hij doorgaans wordt afgebeeld was hij nu ook weer niet - gromde hij: ‘En wat had jij je dan voorgesteld? Er zijn al meer dan genoeg lieden die de geschiedenis naar hun hand zetten, een man met vleugels, die mij heeft misleid, Augustus die mij hier naar toe heeft gedirigeerd, jij, die zonodig mee moest, straks krijgen we die zetbaas van een Herodus zeker ook nog op ons dak en dan kunnen we weer op dat lamme ezeltje vluchten naar Egypte net als mijn naamgenoot 3760 jaar terug.’
‘Zoiets ja, zij zei bescheiden’.
En of hij nu wilde of niet, hij moest er maar aan meewerken.
‘Als het dan toch moet, dan eerst die herders eruit. Dat staat niet in het verhaal. Die komen maar terug als het kind er is. En wat moeten we met die tweede ezel. Wij hadden er één bij ons en hier staat er nog één? Ik bind er wel een achter het huis vast, uit het zicht. Die os kan blijven, maar wat doet die hier eigenlijk midden op de hoogvlakte waar geen akkers zijn? Hup stro, in de kribbe en dan jij je gang gaan’.
En zij ging haar gang. Binnen de kortste keren was het kind geworpen en in doeken gewikkeld. Die had ze kennelijk meegebracht. Zo’n bevalling was in die tijd kennelijk nog een peulenschilletje; niks geen complicaties, kraamzorg, kraampakket, zorgverzekering, navelbandje, stuitligging, inknippen of ander ongerief. In ieder geval lag het wurm binnen de kortste keren gezellig te kraaien.
Terwijl hij de placenta buiten in de steenharde bevroren grond probeerde te begraven, kwamen de herdertjes al weer binnen en riepen ach en oh, terwijl, alsof die op afroep verkrijgbaar waren, kwamen daar ook engeltjes zingen: tjinkelbel, tjinkelbel, tjinkel al de wee, oh wat het fijn, is het rijden in een open slee-hee. Maar het kan ook zijn, dat hij bekaf was, want aan de horizon zag hij sinterklaas in wapperende jas te paard voorbijhollen, achterna gezeten door eenzelfde soort figuur maar dan met een andere muts op en op de rug van een eland. Dat heb je zo als je moe ben, dan sla je wartaal uit en ga je vreemde dingen zien.
Maar binnen was het warm en gezellig. Er was warme wijn, warme anijsmelk, slemp, er waren oubliewafelen, amandelstaaf, broedertje en Jan-in-de-zak; dat is leuk, want dat was in de 19e eeuw ook nog in zwang rond te kersttijd. Er was genoeg voor iedereen en waar dat vandaan kwam, dat mocht Joost weten. Later, stond met daar ook niet meer verbaasd van, want toen werden er bruiloften en hele relie-bijeenkomsten voorzien van spijs en drank, zonder enig logistiek probleem."het is een wolk van een baby"
Ach, en nu het eenmaal zover was, wilde de oude man zich ook wel schikken. Voor het onvermijdelijke plaatje leunde hij op zijn staf achter het kribbetje en keek naar het vrolijk kraaiende kind, alsof het zijn eigen zoon was.

Eind goed al goed, zou je zeggen, maar naast alle onduidelijkheden die er al waren bij deze riskante onderneming, blijft het toch een vreemde zaak, dat geen van al die herders, die er niet hoorden te zijn, maar kennelijk wel in- en uitliepen, aanbood het stel met kind in zijn huis onderdak te verlenen. Dat kan betekenen, dat dat Tiroler optrekje gerieflijker was dan de doorsnee herderseengezinswoning of flat. Maar dat hoefde weer geen reden te zijn om rond te bazuinen dat er een koning was geboren om de heersende figuur Herodus daarmee op stang te jagen. Misschien hebben deze kerstverse ouders er ook gewoon verstandig aan gedaan om in dit bescheiden optrekje te blijven bivakkeren, want luttele dagen na de geboorte brak er in Beth Leichem een besmettelijke ziekte uit, die aan talloze zuigelingen het leven kostte. Schandalig om dan te spreken van kinder-‘moord’, want tot ver in de 19e eeuw stierf ¼ van alle kinderen onder één en slechts 50% werd ouder dan 10.
Het is ook niet uitgesloten, dat men in dat optrekje bleef rondhangen omdat er na een dag of veertien nog kraamvisite zou komen. Drie exotische heren, met goud, wierook en mirre. Daar had men wel oren naar. Dat wil zeggen, goud was welkom nu het timmerfabriekje stil lag, wierook was ook goede handel. Maar, ‘What the fuck is Myrrhe’; dat is tenminste wat de moeder van Brian zich vertwijfeld afvroeg in ‘Life of Brian’ en hiermee is de geschiedenis nu eens een keer toevallig niet op de loop gegaan: Mirre of Myrrhe is een gomhars, een roodachtige plakkerige gestolde korrel, afkomstig van verschillende soorten Commiphora struiken en bomen die voorkomen in het Midden-Oosten en Afrika. Het kan verwerkt tot reukolie, balsemolie of extract voor medicinale toepassing. (Je kan het trouwens ook in tabak in een waterpijp roken).

Als dit stichtende of stuitende verhaal u op afstand heeft gezet, aan het twijfelen heeft gemaakt, als u het vol afschuw heeft aangehoord, als u de nijging krijgt te bidden voor deze zondaar (doe dat trouwens maar niet), dan moet u in ieder geval voor waar aannemen dat mirre destijds en ook nu nog een kostbare stof is.

>>Terug naar winterfeest2003