Zeeburgerdijk-Oost

Winterfeest 2003

Midwinter op de dijk
door Wieke Meilof

 

De esdoorn stond daar al vele jaren, sterk en groot. De sterkste van allemaal, de hoogste ook. Hij was één met de dijk, zijn wortels hielden de dijk bij elkaar en de dijk gaf hem de kracht om te groeien. Lang geleden, toen de stad nog heel ver weg lag, was de esdoorn daar uit een heel klein zaadje ontsproten. En nu stond hij daar in al zijn glorie, zijn kale takken nat van de regen.

Op één van de hoogste takken zat een meisje. Het was haar boom, weer of geen weer. Mana klom de laatste weken elke dag zo hoog ze kon om te kijken naar het land en water om haar heen. Naar de vele bootjes die lagen aangemeerd aan de gammel steigers. Naar de koeien die aan de overkant graasden in het zompige gras onder de brug. Zouden koeien kunnen zwemmen? Als het zo ver is dan moeten de koeien ook op de dijk, dacht Mana. Mijn dijk, dacht ze. Onze dijk. Mana kon zich niet voorstellen dat ze ooit op een andere plek zou wonen. Hier was ze geboren en hier woonde ze met haar broertje en haar vader en moeder. Hun dijk, een veilige plek, ver weg van alle narigheid. En morgen was het Midwinterfeest, dan gingen ze vieren dat de nachten weer korter werden en de dagen weer langer, dan gingen ze het licht terugblazen. Veel merkte je daar in het begin niet van, vond Mana, vaak moest ze na de wintervakantie nog in het donker naar school en zaten ze ’s avonds met een kaars of olielamp aan tafel, met de gordijnen dicht om het donker én de kou buiten te houden.
Alleen hoefde ze nu niet meer naar school, misschien wel nooit meer had het buurmeisje haar toegefluisterd. Maar dat was nonsens zei haar moeder, over een tijdje zou alles weer net zo zijn als vroeger. Fijn vond Mana het wel deze tijd van het jaar, vooral als de sneeuw wit op de dijk lag en ze na het eten nog met de slee de dijk konden afglijden en sneeuwpoppen konden maken. In het donker. Geen lichtje was er buiten te zien, want sinds kort waren ook alle lantarenpalen uit. Vroeger hadden ze in elke kamer van het huis licht gehad, wanneer ze maar wilden en hoeveel ze maar wilden. Stroom genoeg, ook al had mama altijd dat het ook wel een beetje minder kon. Stroom voor licht, muziek, de koelkast , de televisie en nog meer. Mana wist het nog heel goed, haar broertje Ake was het waarschijnlijk al vergeten. Alweer zo lang leefden ze nu ’s avonds in het donker. Eén kaarsje om bij te eten, dat was alles.
We vieren dat het licht weer terugkomt, had haar vader gezegd, en we bidden dat de dijken het houden. Want dat was er nu bijgekomen. Het bidden ook trouwens. Niet alleen het licht was verdwenen, ook bezweken door het hele land één voor één de dijken. Op de meeste dijken waren eerst de bomen gekapt en daarna werden de huizen verlaten. De dijken moesten opgehoogd worden werd er gezegd, als bescherming tegen het wassende water. Maar veel meer dan bomen kappen gebeurde er niet. De mensen gingen gewoon weg, en lieten het land zomaar achter.

Zelf zouden ze nooit weggaan had hun moeder beloofd. ”Onze dijk houdt het wel, niemand gaat weg van onze dijk”, had ze nu al veel mensen horen zeggen. Dat eerste geloofde Mana wel, maar dat laatste was niet waar, de buren verderop waren vorige week vertrokken en helemaal aan het begin van de dijk waren ook al mensen weggegaan. “Afvalligen” zei haar vader, “geen echte dijkbewoners, import”, zei de buurman. Maar eigenlijk was Mana’s moeder ook import had vader gezegd en die bleef toch ook. Toen was haar moeder boos geworden en had ze gezegd dat het ging om het gevoel voor de dijk dat je had en dat had niks te maken met import of niet. Maar Mana had gezien dat ook haar moeder een aantal tassen ingepakt klaar had staan onder het grote bed.

Morgen zou het midwinter zijn en zou het licht komen. En daarna zou het water komen, heel veel water, wanneer, dat wist niemand precies. Alleen de buurman wist zeker dat het niet zou komen, want hun dijk was sterk genoeg en zou het water tegen houden. Dat klonk Mana nogal onlogisch in de oren, maar volwassenen zeiden wel vaker rare dingen en ze geloofde het maar al te graag. “Allemaal onzin” had de buurman gezegd, “onheilsprofeten en onheilstijdingen. Over 10 jaar ligt die dijk hier nog, staan de bomen hier nog net zo. Doemdenkers dat zijn het.” En niemand sprak hem tegen, omdat ze dat meestal niet deden bij de buurman. En Mana natuurlijk ook niet, hoewel ze zijn woorden vaak in zichzelf herhaalde als een soort bezwering.

Mana klom voorzichtig naar beneden. Ze zag haar broertje aan komen lopen. Hij liep als gewoonlijk te slepen met iets. Een stapel hout voor in het vuur. Altijd nam Ake van alles mee naar huis. Hij verzamelde de gekste dingen, die vond hij op straat. Net als opa. “We gaan eten” riep hij, “je moet komen en je moet opschieten, want het is morgen Midwinter”. “Als ik opschiet komt Midwinter echt niet sneller” snibde Mana en ze sprong op de grond, gaf haar broer een por in zijn zij, waardoor het hout op de grond viel. Ake mopperde, maar Mana hielp hem en samen legden ze alles bij de houtstapel voor het midwintervuur van morgen. Ake wilde morgen alles op het vuur gooien. “Dat mag nooit” zei Mana terwijl ze op een plank met verf wees, “dat gaat heel erg stinken”. “Ik doe het lekker toch” zei Ake, “misschien is het wel het laatste Midwinterfeest op de dijk”. “Ach hou toch op”, zei Mana, “je weet niet wat je zegt”. En ruziënd liepen ze naar huis.

De hele volgende dag was iedereen druk in de weer met de voorbereidingen voor het feest. Het vuur werd al vroeg aangestoken en Ake was er de hele dag niet weg te slaan. Stiekem gooide hij er van alles op. Mana hielp met broodbakken en verdween daarna snel naar haar plekje in de esdoorn.

In de loop van de avond verzamelde iedereen zich bij het vuur. De volwassenen waren luidruchtig en vrolijk en dronken veel. De kinderen ravotten er tussendoor en vergaten de reden van het feest. Het was eigenlijk net zo’n Midwinterfeest als het jaar daarvoor. Je kon nergens aan merken dat er iets aan de hand was, alleen misschien aan het feit dat er nog meer gedronken werd dan normaal. Er werd gedanst, gezongen en gelachen. Om 12 uur begon het midwinterblazen. Met saxofoons, klarinetten, didgeredo”s en bierflesjes en alle andere dingen waar je maar op blazen kon bliezen ze het licht de wereld weer. Mana blies op haar fluit, hoog, hard en schel. Ake stond op een ijzeren buis gekke geluiden te produceren. En ook al geloofde niemand er echt in, toch bliezen ze harder dan anders, om op die manier het licht terug te roepen, maar vooral ook om het water tegen te houden, alsof het magische geloof van vroeger tijden opeens door het donker naar de aarde was teruggekeerd.

Het gekke was dat er op dat moment verder niks gebeurde. Er was geen wind, er hing een frisse heldere kou over de dijk. Het vuur verspreidde zijn warme gloed en bescheen de gezichten eromheen. Het blazen was klaar en het was stil, doodstil, als een stilte voor een storm die nooit zou komen. Iedereen lachte een beetje beschaamd alsof ze elkaar erop betrapten dat ze hadden geloofd dat er toch wat zou gebeuren in deze midwinternacht. Nee, het leven zou gewoon verder gaan en het feest ging al gauw ook gewoon verder.

Eerst gingen de kinderen naar bed, Ake zeurde of hij nog even bij het vuur mocht blijven, dat mandje met ouwe lappen moest nog op het vuur en dan die kapotte stoel nog, maar moeder vond het mooi geweest. Daarna vertrokken de eerste volwassenen en uiteindelijk lag tegen vijf uur iedereen in zijn eigen bed of dat van een ander, want in tijden van spanning ontstaan de mooiste relaties. Iedereen sliep diep in de heilige overtuiging dat ze zich maar wat in het hoofd hadden gehaald met al dat water. Alleen Mana sliep onrustig. Ze werd om half zes wakker, ze moest plassen . Het was nog pikkedonker buiten en nog steeds doodstil. In het donker liep ze zachtjes de trap af . Nadat ze had geplast wilde ze zo snel mogelijk weer in haar bed kruipen, maar iets trok haar naar het grote raam in de huiskamer. Het duurde even voordat tot haar doordrong wat er aan de hand was. Er glinsterde water in het maanlicht. Eerst dacht ze dat het regende. Toen voelde ze dat ze natte voeten had , ze gaf een onderdrukte gil en rende naar de slaapkamer van haar moeder.

Daarna ging alles heel snel. Een half uur later was iedereen op weg naar bootjes en even later voeren ze in een lange rij naar het zuidoosten. De olielampen bungelden aan de voorstevens. Achteraan kwam de buurman, omdat hij zijn tassen nog had moeten pakken en toch het één en ander had willen meenemen. Het water steeg stil als de nacht, maar wel gestaag. Er was geen ontkomen aan. Sommigen zaten stilletjes te huilen, er werd niet gepraat, niet gezongen en zeker niet gelachen. De maan weerspiegelde in het oneindig zwarte water, zover ze konden kijken was er alleen maar water, een stil, plat, glanzend oppervlak. Aan de horizon begon de dageraad te gloren. Toen Mana omkeek zag ze dat de dijk er nog steeds was,maar langzaam verdween onder water. De esdoorn stond nog fier rechtop terwijl het water nu langs zijn stam omhoog kroop. Mana keek weer voor zich uit terwijl de esdoorn achter haar langzaam onder water verdween. Ake scheen het allemaal niet zoveel te kunnen schelen Hij had in een grote vuilniszak heel wat van zijn spullen mee weten te nemen en hij zat daarmee te spelen alsof hij op de dijk voor het huis zat. Mana was er blij om. Ake pakte zijn ijzeren pijp en begon er hard op te blazen. Het geluid klonk ijl over het water. Vader wilde de pijp afpakken, maar plotseling klonk uit één van de bootjes voor hen een saxofoon, die zich voegde bij Akes toon. Als scheepstoeters die hun komst aankondigde klonk het. Al snel klonken uit allerlei bootjes hoorns, toeters en blazers, het was een midwinterblazen zoals nooit tevoren. Op dat moment kwam de zon. Zie je wel, dacht Mana, een wonder, want het licht was teruggekomen, de dagen zouden weer langer worden. Ze waren op weg, op weg naar een andere plek, een andere tijd en misschien een andere dijk om te wonen.

Dagenlang voeren ze over het grote water totdat ze weer land zagen en over grote kanalen verder voeren. Er werd gepraat, gelachen en gezongen op de boten. De spanning was gebroken, iedereen wist dat het goed zou komen. Want de dagen werden langer. Ze vonden een plek om te wonen waar het water hun niet meer zou kunnen verrassen en waar het licht wonderlijk sterk was. Ze bouwden er een dorp. Midden in het dorp stond een grote kastanjeboom waar ze vaak samen kwamen en elk jaar vierden zij er het Midwinterfeest zoals het hoorde. Mana leerde Ake hoe hij naar het hoogste topje van de kastanjeboom kon klimmen en samen zaten ze daar uren te kijken naar het land om hen heen.

Op een dag kwam er een zeeman in het dorp. Hij had veel van de wereld gezien en hij had gevaren over de nieuwe Westerzee. Daar was het gevaarlijk, zei hij. Het gevaarlijkste was het vlakbij Oud-Amsterdam. Ze noemen het de Zeeburger Kaap. Daar moet je opletten, want daar ligt een dijk vlak onder het oppervlak, het lijkt wel alsof ie betoverd is. Soms als het hard waait zie je hem boven het water uitsteken.Er zijn al heel wat boten vergaan daar, maar als je goed oplet en goeie oren hebt dan kun je je laten leiden door het fluiten van de wind: dat klinkt als een stel scheepstoeters en zo weet je precies hoe je die gevaarlijke kaap moet omzeilen.

“Zie je wel” zei de buurman ,”ik heb het wel gezegd, die dijk die houdt het wel”. En ze gaven de zeeman een bed om te slapen en zo had de buurman toch weer gelijk gekregen ook al had Mana het idee dat er iets niet helemaal klopte.

>>Terug naar winterfeest2003